|
‘De regering wil de
Bedoeïenen evacueren omdat ze op die plek nu de nieuwe joodse
nederzetting Hiran heeft
bedacht’
Vele van
Israëls honderdduizend relatief onbekende bedoeïenen, die de
regering altijd trouw zijn gebleven, worden met ontruimingsbevelen
gedwongen hun huizen te verlaten. Het verzet tegen deze ‘vorm van
apartheid’ zwelt aan.
Tel Aviv - Hoe verder naar het zuiden, des
te heter en vooral ook stoffiger het wordt. We zijn per auto op weg
naar twee dorpen in de Negev, de semi-woestijn in het zuiden van
Israël. De Israëlische architecte Malkit Shoshan zit achter het
stuur. Ik wil op haar aanraden het bedoeïenendorp Um al-Hiran op
video vastleggen. De dorpelingen hebben onlangs een evacuatiebevel
ontvangen. ‘In de Negev staan meer dan veertig dorpen die niet door
de staat Israël worden erkend, zonder officiële status’, vertelt
Shoshan. ‘Hier wonen meer dan honderdduizend bedoeïenen zonder
water, elektriciteit, medische zorg of andere basisvoorzieningen.’
Ze wijst
de niet erkende dorpen langs de weg aan. Ze staan niet aangegeven op
borden, er leidt geen afslag naar toe. Shoshan richtte vorig jaar
F.A.S.T. op. Deze Foundation for Achieving Seamless Territory stelt
schendingen van de mensenrechten als gevolg van verkeerde planning
aan de kaak. ‘Een van onze activiteiten’, zegt Shoshan, ‘is het
aanbieden van alternatieven voor de niet-erkende dorpen; zwarte
gaten in de formele ruimtelijke planning.’ Shoshan specialiseerde
zich tijdens haar studie op de relatie tussen bouw- en sloopplannen
van de regering-Sharon. ‘De regering wil evacueren omdat ze op die
plek nu de nieuwe joodse nederzetting Hiran heeft
bedacht.’
We slaan af
bij een nederzetting. Eindeloze massa’s grijze blokken beton. ‘Dit
is Huran’, vertelt Shoshan, ‘een van de zeven plaatsen waar alle
bedoeïenen bij elkaar moeten leven. In deze concentratiecentra,
zoals ze officieel worden genoemd, is nauwelijks sprake van enige
infrastructuur. De grootste, Rahat, met 40.000 inwoners heeft maar
één postkantoor en één bank. En geen enkele mogelijkheid tot
uitbreiding.’
Ze parkeert
voor een grote houten keet aan de rand van de nederzetting, de
meubelwinkel van Saleem Abu el-Qian. Ik verwachtte een echte
bedoeïen in een lang gewaad met een hoofddoek om. Maar Saleem is
westers gekleed en brengt ons naar zijn dorp Um al-Hiran. Eerst laat
hij twee brieven zien. Zijn oudste zoon heeft ze vorige week op
dezelfde dag ontvangen. In de ene staat dat hij op herhaling is
opgeroepen in het leger, in de andere dat zijn huis binnenkort zal
worden gesloopt. ‘Wij zijn loyale Israëliërs, wij dienen in het
leger. Onze mensen zijn leraren, militairen, academici. Hoe is het
dan mogelijk dat wij weg moeten uit onze huizen? Ze willen nieuwe
nederzettingen en wij willen daar best deel van uitmaken. Wij hebben
geen probleem om met andere mensen te leven, of ze nou moslim, joods
of christen zijn.’
We
rijden achter zijn auto aan over een desolate weg. Het landschap is
nu groenig maar Shoshan vertelt dat in de zomer alles geel en dor
is. We passeren kleine dorpjes: steeds een paar huizen bij elkaar,
de meeste van golfplaten, een enkele van stenen blokken. Bij ieder
pad staat een blok beton met: Danger Firing Area. ‘Om aan te geven
dat dit gebied militair oefenterrein is’, legt Saleem uit. ‘Ze
hebben ook een hek geplaatst om onze begraafplaats, daar mogen we
niet meer komen.’
We
passeren een bord waarop ‘hondenfokkerij’ staat. Saleem wijst in de
verte naar een gigantische boerderij met schuren. ‘Hier woont één
joods gezin op 500 hectare grond die de regering hen heeft
toegewezen terwijl wij met meer dan duizend mensen en tienduizend
geiten, schapen en kamelen het met 35 hectare moeten
stellen.’
De
familie Abu el-Qian, verspreid over de dorpen Um al-Hiran en Atir,
is door drie zulke boerderijen omsingeld. Ze worden landhouders
genoemd, en bewaken het landschap. Zij hebben wel aansluiting op
waterleiding, elektriciteit en
internet.
We slaan
af bij een zandweggetje dat behoorlijk stijl omhoog gaat. Vakkundig
ontwijkt Shoshan de diepe gaten. Net als in de andere dorpen zijn
vele bouwsels hier van golfplaat en een enkele van steen. Het leven
lijkt alledaags: kinderen spelen, vrouwen doen de was. De mannen
wachten ons op. De dorpsoudste, Musa Hsin Abu el-Qian (90) was erbij
vanaf de dag dat de familie door het Israëlische leger naar deze
plek werd verplaatst. Hij is een van de weinigen die zich nog
traditioneel kleedt, in een donkergrijs lang gewaad met leren riemen
kruiselings over de borst.
‘Op 4 juni
1956 brachten ze ons hier in vier jeeps. Ze zeiden dat dit land van
ons was. We mochten ermee doen wat we wilden. In Wadi Zubaleh, waar
we vandaan kwamen, hadden ze onze tenten verwoest. We waren met
honderd familieleden en moesten ons hier vestigen. We kregen geweren
van de regering om ons te verdedigen, zo dicht bij de grens met
Jordanië. Water was er niet, daarvoor moesten we veertig kilometer
trekken met ezels. De regering heeft toen bomen voor ons geplant en
putten voor ons gegraven. En nu ineens komen ze zeggen dat ze het
land terug willen.’
Saleem
valt hem bij. ‘We betaalden veel geld voor dat water en daarna
sloten ze het weer af. We zijn mensen, wij willen ook rechten.’ Hij
vertelt dat in 1999 bij een grote storm drie meisjes zijn
weggespoeld. Ariel Sharon was destijds minister van Infrastructuur.
Hij kwam speciaal vertellen dat de bewoners van Um al-Hiran
toestemming kregen om hun huizen van steen te
bouwen.
Een oudere
vrouw, genaamd Sara Abu el-Qian, vertelt: ‘We leven nog slechter dan
honden. Geen water, geen elektriciteit, ons leven is geen leven. Het
is heel vernederend.’
Nu wil
dezelfde Ariel Sharon de huizen laten slopen. Een jaar geleden
kwamen ze al een huis slopen, met alleen al tweehonderd vrouwelijke
agenten voor de vrouwen en kinderen. De sloop ontaardde in geweld.
Tien mensen raakten zwaar gewond, anderen werden gearresteerd en
moesten hoge boetes betalen aan de politie. De dossiers met
aanklachten tegen de politieagenten die zich schuldig hadden gemaakt
aan mishandeling zijn vijf maanden geleden gesloten. Wegens gebrek
aan bewijs.
De
rechtbank oordeelde vorig jaar dat het ontruimingsbevel niet op tijd
was gekomen en daarom niet geldig was. ‘Deze keer weet ik niet of we
het zullen overleven. We zullen onze huizen niet verlaten’, zegt
Saleem.
Hij wil
relevante documenten laten zien. Die liggen bij Sjeik Khalil Abu
el-Qian in Atir. We rijden naar zijn huis, dat nog in aanbouw is, en
worden ontvangen in een ruimte met kleurrijke kussens op de grond.
De sjeik heeft vijf vrouwen en 34 kinderen. Zoons komen binnen met
thee, bananen, sinaasappels en snoepjes, en een stapeltje papier in
een plastic mapje met vooral belastingaanslagen. Maar er zit ook een
brief tussen waarin het leger de dorpelingen gelukkige feestdagen
wenst. Sinds de dood van de vader van de sjeik in de jaren negentig zijn de
belastingaanslagen gestopt en daarmee ook de erkenning van de dorpen
Um al-Hiran en Atir. ‘Nu behandelen ze ons alsof we de wet
overtreden. Alsof we van de maan zijn gekomen en we het land zomaar
hebben gepakt. Wij zijn inwoners van de staat die ons dit land heeft
toegewezen. Die ons van ons oude land verdreef en er ons dit stuk
land voor in de plaats gaf. Ik ben hier geboren en ik dien en
verdedig mijn land. De regering heeft ons een certificaat gegeven
dat we ons aan de wet houden.’
De sjeik
haalt een pasje uit zijn borstzak. ‘Als ik niet loyaal jegens dit
land zou zijn, waarom geven ze me dan dit?’ Op het pasje staat dat
hij een gerespecteerd burger is. ‘Hoe kan het dan dat ze ons van het
leven willen afsnijden? Vroeger reed buslijn 51 hier langs. Daarmee
konden onze kinderen naar school. Toen ze erachter kwamen dat de Abu
el-Qianis er gebruik van maakten, hebben ze de bus omgeleid door het
bezette gebied, ook al betaalden we ervoor. De Westbank ligt hier
vlak naast. Het is of we een teleurstelling zijn voor dit land,
terwijl ik er trots op ben te kunnen zeggen dat ik in Israël woon.’
Salem
Abu-Medeghem van Adalah, het juridisch centrum voor de rechten van
Arabische minderheden in Israël, die al anderhalf jaar bij de
ontruiming betrokken is: ‘Twee jaar geleden kwamen de waarschuwingen
dat de woningen die zonder vergunning waren gebouwd gesloopt zouden
worden. Vervolgens, in april 2004, vorderde de staat Israël het
gebied in een rechtszaak. Dit om de dorpelingen uit hun huizen te
kunnen evacueren. De families in Um al-Hiran en in Atir zouden
verboden terrein van Israël hebben betreden. Sommige huizen zijn
sloopklaar. Alleen al in 2003 heeft de overheid 120 gebouwen
verwoest in niet erkende dorpen. Wij moeten zien te voorkomen dat
dit zo doorgaat.’
Op de
weg terug naar Tel Aviv bezie ik de vele dorpen zonder op- en afrit.
Zo nu en dan schiet een auto de berm in om niet helemaal om te
hoeven rijden. ‘Dit proces van landtoewijzing in de Negev legt een
soort apartheid bloot’, zegt Shoshan. ‘Dit landregime discrimineert
op agressieve wijze de bedoeïenenburgers, en het onthoudt ze de
basisrechten die alle inwoners van Israël toebehoren. Een echte
democratie kent geen tweederangs
burgers.’
Published at
Amnesty NL
magazine
|